College VEurne - lesbestanden - project Nederlands - Geschiedenis 2004-2005

Vierentwintig
Gezichten van een Grote Oorlog

     
Pamphiel Bailleul
+ 28 september 1918
36 jaar
Veurne
 

Op 10 maart 1882 om vier uur ‘s namiddags werd Pamphiel Hendrik Bailleul in de Veurnse Ooststraat Wijk a, nr. 65 geboren. Zijn vader Henri was koopman in hout en arduin, en herbergier van het café ‘In den Hert’. Van Henri werd gezegd dat hij een oprecht christen was; in zijn vrije tijd zette hij zich in voor de mannenbond van het Heilig Hart. Pamphiels moeder, Euphrasia Debeerst, was afkomstig van Zevekote. Ze was een eenvoudige, rechtschapen vrouw, die haar man hielp in de herberg en leefde voor haar gezin. Henri en Euphrasia kregen tien kinderen: vier meisjes en zes jongens. 

Toen Euphrasia in 1891 op 37-jarige leeftijd stierf, had de kleine Pamphiel het er erg moeilijk mee. Bovendien hertrouwde zijn vader in juni 1892 met Stephanie Bouteca, wat de 10-jarige jongen niet meteen kon verwerken. Ook Henri en Stephanie kregen tien kinderen, zodat Pamphiel er nog vier halfbroers en zes halfzussen bij kreeg. Een van zijn halfbroers was Joris Bailleul, ook een oud-leerling van het college, die tijdens de Eerste Wereldoorlog door obussen op de markt van Veurne geraakt werd en aan zijn verwondingen zou sterven. Er wordt gezegd dat het gezin van Henri en Stephanie weinig contact had met de rest van de familie en nogal asociaal was. Zeker is dat Pamphiel er na de dood van zijn moeder vaak alleen voor stond, want stiefmoeder Stephanie bekommerde zich vooral om haar eigen kinderen.


Na zijn collegejaren werkte Pamphiel eerst als timmerman. Daarna werd hij steenkapper in het familiebedrijf, dat opgericht werd met het geld van zijn vader en door Gustaaf Bailleul uitgebaat werd. Aanvankelijk was de steenhouwerij in de Ooststraat gevestigd; tegenwoordig vinden we ze in de Karel Coggelaan.

 

Op 10 oktober 1916 werd Pamphiel opgeroepen door een speciale dienstplichtwet van 21 juli 1916, die elke man tussen 18 en 40 jaar verplicht onder de wapens riep. De 34-jarige Pamphiel, die vrijgezel was, kon onmogelijk aan zijn lot ontsnappen. Volgens zijn militair dossier had hij een ovaal gezicht, blauwe ogen, een kleine mond en licht kastanjekleurige haren. Hij was 1, 72 m groot, woog 65 kg en had een opvallend litteken aan zijn linker onderarm.

Op 18 juni 1917 voegde Pamphiel zich bij het 4de Karabiniersregiment, dat geleid werd door kolonel F. Lekeu. De taak van de vier regimenten karabiniers bestond er vooral in de wacht langs de IJzer op te trekken. Daarnaast moest elke infanterist ook op regelmatige tijdstippen onderhoudswerken uitvoeren aan de reeds opgebouwde verdedigingswerken, bv. prikkeldraadversperringen heraanleggen, loopgrachten herstellen, enz.

 

Het 4de Karabiniersregiment speelde een cruciale rol tijdens het eindoffensief, dat de door de Duitsers bezette gebieden moest bevrijden. Tijdens de eerste fase van dit geallieerde eindoffensief van september – oktober 1918 was Pamphiel ondergebracht in groepering Zuid, onder leiding van luitenant-generaal A. Biebuyck. De taken van de 12de Infanteriedivisie waren als volgt verdeeld: de 1ste Grenadiers zouden Passendale via het noorden binnenvallen, de 2de Grenadiers moesten de hoogten van Frezenberg en Tyne Cot innemen en Passendale via het zuiden omsingelen, en de 4de Karabiniers, waarvan Pamphiel deel uitmaakte, zouden ’s Graventafel innemen en Passendale frontaal aanvallen. 

Op 28 september 1918 om precies 2.30u. startte het offensief van Legergroep Vlaanderen met een artilleriebeschieting. Drie uur later, om 5.30u., begon – met de woorden van Lekeu – de ‘heldhaftige vlucht naar voren’.  De infanteristen kwamen uit hun stellingen. Precies op het ogenblik van de aanval begon het zachtjes te regenen. Weldra echter ging de regen in een stortregen over, zodat de manschappen doornat werden. Het terrein, dat vol gevaarlijke granaattrechters zat, was al gauw erg drassig.

Dertien divisies, georganiseerd in drie groeperingen, vielen tussen de Blankaart en Ieper aan, en vier Britse divisies richtten zich op het gebied tussen Ieper en de Leie. Verschillende Duitse stellingen vielen al na twee uur strijd. ’s Avonds was de weerstandsstelling, Flandern II Stellung, hier en daar ingedeukt, het bos van Houthulst was veroverd en het kasteel en het meer van de Blankaart waren omsingeld. Vierduizend Duitsers gaven zich over. Ondertussen werden duizenden gewonde soldaten naar de fronthospitalen gebracht, die al gauw signaleerden dat ze ‘verzadigd waren’. Karabinier Pamphiel Bailleul sneuvelde op deze 28ste september in Passendale, net als vele anderen. Vóór 11 november 1918 zou het eindoffensief nog het leven eisen van 253 Belgische officieren en 3083 Belgische soldaten en onderofficieren.

 In Passendale is men de bevrijding van 28 september 1918 vandaag nog niet vergeten: zowel de 4de Regiment Karabiniersstraat als de Grenadiersstraat getuigen hiervan. Op een gedenkplaat op het gemeentehuis lezen we: ‘Den 28ste september 1918 werd het dorp Passchendaele door het 4de Carabiniers Regiment heroverd’. Pamphiel Bailleul werd op 1 oktober 1919 met twee medailles gehuldigd: de ‘Médaille Commémorative de la Guerre (1914-1918)’ en de ‘Médaille de la Victoire’. I

Eveline Bradt, Stephanie Debruyne, Loes Dewulf