College VEurne - lesbestanden - project Nederlands - Geschiedenis 2004-2005

Vierentwintig
Gezichten van een Grote Oorlog

 

 

 

Joseph Sobry


+ 11 december 1915
2
3 jaar
Adinkerke - Veurne

                                             

 

In het gezin van Emiel Sobry en Maria Vandenbussche heerste altijd een sfeer van bedrijvigheid. Alle kinderen konden zich thuis probleemloos nuttig maken, want vader was landbouwer en koopman. Zoon Joseph, de negende van twaalf, die op 25 maart 1892 geboren werd, groeide op in Adinkerke. Pas begin de jaren 1900 verlegde het gezin zijn activiteiten naar de hoeve De Posterie langs de weg Veurne – De Panne.

Toen Emiel op 21 november 1907 onverwacht op 60-jarige leeftijd kwam te sterven, was Joseph nog maar 15. Hij had er toen al drie jaar aan het Bisschoppelijk College op zitten. Maria wou niet dat de dood van haar man de studies van haar kinderen in de weg stond, dus werkte Joseph zijn collegeloopbaan af en werd ook zijn jongere broer Maurice leerling van het college in 1909. Ondertussen hield Maria zelf het landbouwbedrijf draaiende. Later werd ze koopvrouw van melk en boter. Toen zijn collegejaren erop zaten, hielp Joseph zijn moeder daar waarschijnlijk bij.

Begin juni 1915 nam Joseph Sobry, net als zijn jongere broer Maurice, dienst in het leger. Of hij dit deed als vrijwilliger is niet duidelijk; op dat ogenblik was hij 23 jaar oud. Vóór 1913 moest slechts één zoon per gezin naar het
leger. De broers Sobry maakten dan ook deel uit van de ‘speciale lichting’ van 1915. Joseph kwam niet in de gevechtseenheden terecht. Op 7 juli 1915 werd hij ingelijfd als milicien en in een Werkerscompagnie geplaatst. Enkele maanden later, op 19 oktober, werd hij ‘ouvrier’ in de opslagplaats van de artillerie in Gonfreville l’Orcher (Graville), ver weg van het Belgische front en dus zogezegd ‘veilig’. Joseph maakte deel uit van de eenheid CIAX (‘Centre Instructif d’Auxiliaires’) en kreeg het stamnummer 33678/(7347), 2de Compagnie D2T d’Ouvriers d’Artillerie.
 

 

Op zaterdag, 11 december 1915 ging Joseph Sobry, een van de 130 arbeiders in de munitiefabriek van Graville, nietsvermoedend aan het werk. Vele arbeiders waren al blij dat ze de lijf-aan-lijfgevechten aan het front niet hoefden mee te maken en munitie konden sorteren voor de vrachtwagens die de aanvoer van wapens en munitie naar het front verzekerden. Toen echter gebeurde het ondenkbare: om 9.40u. vloog de fabriek, waar meer dan 300 ton poeder was opgeslagen, de lucht in.

De explosie was zo hevig dat men de aarde 90 kilometer verder voelde trillen. De echo duurde 30 seconden. In Yvetot (op 52 km van Graville) vielen zelfs slachtoffers door rondvliegende glasscherven. Alle 130 arbeiders kwamen in de explosie om. Ongetwijfeld lieten ook heel wat burgers er het leven. Arbeiders uit de omliggende bedrijven raakten zwaargewond door rondvliegende glasscherven. Burgers die de ontploffing hadden overleefd, durfden de gewonden niet te helpen, want velen vreesden voor een tweede ontploffing. In de straten heerste er totale chaos: mensen waren op zoek naar hun familieleden, ambulances en brandweerwagens reden zomaar in het rond en keken hulpeloos toe. Gelukkig kwam er geen tweede ontploffing, voornamelijk dankzij een aantal Belgische militairen die het laboratorium bij de fabriek blusten.

Dokters en apothekers verzorgden de gewonden die glasscherven tegen het hoofd of de arm kregen. Aangezien de meeste lichamen zo verminkt waren dat ze onmogelijk geïdentificeerd konden worden, werden ze in een massagraf geborgen. Joseph Sobry’s lichaam werd nooit gevonden; men vond alleen zijn identificatieplaatje. De begrafenis vond plaats op 14 december om 11 uur in Le Havre. Vele slachtoffers werden op het kerkhof van Sainte-Marie begraven. Op vraag van de familie transporteerde men ook heel wat lichamen terug naar eigen land om ze daar een rustplaats te geven. Naar de precieze oorzaak van de ontploffing heeft men nog steeds het raden.

Op 14 juli 1921 richtte de Belgische regering een grafmonument op voor de slachtoffers van de ontploffing van de munitiefabriek in Graville. Marguerite Sobry, Josephs zus, mocht op 1 juli 1923 de ‘Juweelen van de Zege en de Herinneringsmedaliën’ ter ere van haar broer in ontvangst nemen. Een magere troost? Vandaag vinden we Josephs naam op het gedenkteken op de collegemuur en op een koperen herinneringsplaatje in de Veurnse Sint-Walburgakerk.
 

Jorèll Beyens, Dieter Deriemaeker, Thijs Vanloocke, Bert Degroote