College VEurne - lesbestanden - project Nederlands - Geschiedenis 2004-2005

Vierentwintig
Gezichten van een Grote Oorlog

 

 

 

 

Emile Torney


+ 05 mei 1915
2
4 jaar
Veurne

 

Emilius Josephus Cornelius Torney werd geboren op 23 oktober 1890 in het huis van bakker Jozef Torney in de Smissestraat 10 te Veurne. De moeder was Prudence Ryssen. Er zouden nog vier kinderen, Maria, Jules, Helena en Mathilde volgen. Als Emile twaalf is, studeert hij af in het 7de Voorbereidende aan het Bisschoppelijk College. Daarna begon hij thuis te werken als bakkersgast.

Het Belgisch leger riep hem als oudste zoon op voor zijn dienstplicht op 10 juni 1910. Hij werd ingelijfd bij het 3de Linieregiment dat in Oostende en Ieper gekazerneerd was. In 1912 was zijn legerdienst afgelopen. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij gemobiliseerd. Hij maakte vanaf het begin van de vijandelijkheden de campagne mee van de 1ste Divisie waar het 3de Linieregiment onder viel. Dat voerde hem eerst naar Gent om zich eind september in te graven ten zuiden van Mechelen tussen het kanaal van Willebroek en de Zenne. Na weer een verplaatsing groef de 1ste Divisie zich in tussen de forten van Waelhem en Lier in de verdedigingsgordel rond Antwerpen. Daar werd ze hevig beschoten door Duitse artillerie. Op 1 oktober viel de 1ste Divisie het dorp St.-Kathelijne-Waver aan, maar werd teruggeslagen. Ook op 2 oktober voerde de 1ste Divisie tegenaanvallen uit om het front aan de Nete te consolideren. Tevergeefs. Op 6 oktober moest het Belgische leger zich onder druk van de Duitse artillerie overal uit de stellingen aan de Nete terugtrekken. Op de avond van 6 oktober begon ook voor Emile en het 3de Linieregiment de terugtocht uit Antwerpen. Eerst te voet naar Sint Niklaas vanwaar een trein hen naar Oostende voerde. Van daar per tram naar de Westhoek.

Op 15 oktober staat wat rest van het Belgische leger, ca 82 000 man achter de IJzer waar zij een frontlijn van 36 km moet zien te verdedigen. De 1ste Divisie graaft zich in achter de IJzer zoals die loopt vanaf Nieuwpoort tot aan kilometerpaal 10 met voor de brug van Schoorbakke een bruggenhoofd en een voorpost in Mannekensvere. De eerste vijandelijke verkenners doken ’s anderendaags al op. Op 18 oktober valt de Duitse infanterie aan. De voorpost van Mannekensvere werd daarbij meteen ingenomen. De IJzerslag was begonnen en woedde onophoudelijk tot 30 oktober. 14 000 Belgische militairen werden daarbij gedood of gewond.
 

 

 

Een maand later, op 30 november verscheen Emile niet op het appel van zijn bataljon. Na 13 dagen afwezigheid werd hij als deserteur opgetekend. Het is best begrijpbaar want hij was al van 1 augustus aan het front en was wellicht uitgeput en oorlogsmoe.. Twee dagen later werd hij opgepakt en ’s anderendaags verscheen hij voor de krijgsraad. Hij kreeg drie jaar in een strafcompagnie. Op 18 december echter mocht hij zich opnieuw melden bij het 3de Linieregiment.

 

Toen op 22 april 1915 de Duitsers hun eerste gasaanval lanceerden bij Steenstrate, sloegen zij een brede bres in de Belgische en Franse verdediging. De volgende dagen voerden de Geallieerden verwoed tegenaanvallen uit de Duitsers terug te drijven. Daarbij loste het 3de Linieregiment op 25 april de grenadiers af in de vuurlinie. Emile was er toen alweer bij want op 05 mei, op de terugweg van de frontlinie, bij de reservelinie aan een hoeve in Reninghe, verdronk hij jammerlijk toen hij zich, samen met andere soldaten, ging wassen in een diepe beek of misschien een ondergelopen granaattrechter. Een stom ongeval? Uitputting? Een hartstilstand? Wie zal het zeggen. We krijgen een ooggetuigenverslag van zijn strijdmakker sergeant-fourrier Auguste Vileyn uit de Langestraat 41 te Nieuwpoort die het getuigenverslag opmaakte.

”Ik, ondergete
ekende Vileyn Auguste oudsergent fournier bij het 3de Linieregiment, 2de Bataillon, verklaar dat de genaamde Torney Emile soldaat bij bovengemelde regiment 4de compagnie overleden is den 5 mei 1915 rond veertien ure. Komende uit de loopgraven vóórlijn naar de reservelijn, hofstede bij Reninghe, zich gelijk alle andere soldaten wasschende in eene diepe watering gevallen is en verdronken. Uitgehaald geweest en op bevel van den officier van dienst (Luitenant Pierlot) op de weide gelaten zijnde, totdat ik ondergeteekende de ouders van voornaamde verwittigde te hebben weggehaald geweest is om in Veurne begraven te worden.”

Het is dus ook die sergeant die de trieste taak kreeg om de ouders van Emile het droeve nieuws te melden. Moeder Prudence probeerde in 1921 een financiële tegemoetkoming te krijgen uit het ‘Fonds van Oudstrijders aan nabestaanden”. Ook in 1928 stuurt de ondertussen weduwe geworden Prudence naar Monsieur le Baron de Broqueville, Minister van Oorlog en later premier een aanvraag voor een uitkering oudstrijdersfonds, frontstrepen en eretekens voor haar overleden zoon. Op haar vraag tot het verkrijgen van een Medaille van Ridder in de Leopoldsorde, Oorlogskruis, Medaille van de IJzer, Herdenkingsmedaille en Medaille van de Overwinning voor Emile die ze in 1934 indient via de secretaris van de Nationale Oudstrijdersbond, krijgt de weduwe het volgende pijnlijke antwoord: Emile heeft geen recht op Kruis van Ridder in de Leopoldsorde met palm en geen Oorlogskruis want die worden enkel verleend aan gesneuvelde militairen. Wel kreeg Prudence de eretekens en de brevetten van de Herdenkingsmedaille en de Medaille van de Overwinning en het brevet van het IJzerkruis. De medaille
zelf echter werd toen niet langer meer uitgereikt. Pas acht jaar na de aanvraag zal het Oudstrijdersfonds haar een vergoeding toekennen. Het valt op dat er lange tijdsperiodes tussen de brieven en antwoorden plaatsvinden. Ook de onverschilligheid waarmee het ministerie van landsverdediging en het leger na de oorlog
 

 

het dossier afhandelden, steekt schril af tegen de woordenpraal van de officiële verklaringen. Maar Moeder Prudence liet niet af. In 1937 vroeg ze de Overwinningsmedaille aan voor haar zoon Ze wilde wellicht erkentelijkheid krijgen voor haar zoon die toch de verschrikkelijkste fase van de oorlog had doorstaan. In haar laatste aanvraag doet ze de waarheid wat geweld aan: het verdrinken tijdens het wassen in een beek wordt “enlisé dans un trou d’obus" (weggezakt in een granaattrechter). Ondanks haar naam, liet Prudence niet af: ze schreef daarna ook nog een brief naar het Ministerie van Landsverdediging: “J’ai l’honneur de demander si je n’ai pas droit à la Croix au Feu à titre posthume … Je serai très fière de pouvoir obtenir cette distinction en souvenir de mon fils, mort au service de la patrie. " Daar kwam geen reactie meer op. Mevrouw Prudence Torney-Ryssen overleed te Veurne op 24 oktober 1944.

 Eline Allary, Elien Lagatie, Frederik Wullepit