College VEurne - lesbestanden - project Nederlands - Geschiedenis 2004-2005

Vierentwintig
Gezichten van een Grote Oorlog

 

 

 

Julien Vanleke


+ 03 oktober 1918
2
6 jaar
Veurne

                                         

 

Er is Rosalie Vercouter geen verdriet gespaard. Al begon haar huwelijksleven anders wel hoopgevend. Het dienstmeisje Rosalie Vercouter trouwde in Veurne op 12 mei 1880 met Charles Vanleke, die net bevorderd was van hulppostbode tot postbode. Ze gingen wonen in de Zuidstraat, in het huis nr. 57. Na de geboorte van haar eerste baby’tje, stopte Rosalie met werken als dienstmeid en na het derde ging ze werken als hovenierster. Zo kon ze haar werkuren aanpassen aan de kinderzorg. Maar van de drie kindjes bleef alleen het jongetje Remi in leven.

Het gezin verhuisde naar het huisnummer 49, waar vader Charles de benedenverdieping tot kruidenierszaak ombouwde. Hier werd Julien geboren, op 21 april 1892, een jaar nadat ook een derde zusje gestorven was. In 1904 overleed vader en Rosalie verhuisde haar kruidenierszaak naar de St.-Denijsplaats. Julien moest al vlug van de banken op het Bisschoppelijk College af om bij te springen in het levensonderhoud van het gezinnetje. Hij volgde in de stappen van moeder en grootmoeder en werd tuinman. Kwestie van de kruidenierszaak te voorzien van verse groenten en fruit.

 

 


Tot 1913 moest er maar één zoon per gezin militaire dienst verrichten en de oudste broer Remi had zijn dienstplicht vervuld. Ook was Julien geboren met een misvormde rechter ringvinger. Maar de oorlog had soldaten nodig. Het Belgische leger was na de eerste maanden strijd al geslonken tot 50 à 60.000 man, nauwelijks de helft van zijn oorspronkelijke getalsterkte. Julien werd opgeroepen als soldaat 2de klasse bij de speciale lichting van 1915 met het stamnummer 156/5927. Hij was toen drieëntwintig. Na een spoedopleiding van elf dagen in La Haye du Puits in Frankrijk was hij klaargestoomd als recruut en werd hij gestationeerd in Adinkerke.

In mei van het volgende jaar werd Julien opnieuw naar een kamp in Frankrijk gestuurd, meer bepaald in Eu in Normandië, dit keer voor een artillerieopleiding. Na een maand in Eu was hij klaar voor het front. Op 20 september 1916 werd soldaat Julien Vanleke toegewezen aan batterij 97 van groep II, 6de Artillerieregiment, 6de Divisie. Een artillerieregiment telde 48 kanonnen, georganiseerd in drie groepen van telkens vier batterijen van vier kanonnen. Elk artillerieregiment had als opdracht de infanterieregimenten van zijn divisie vuursteun te geven.Tijdens het eindoffensief maakten drie infanterieregimenten deel uit van de 6de Divisie.
 

Die benoeming bracht Julien Vanleke uiteindelijk op 28 september 1918 naar Langemark voor de eerste fase van het eindoffensief. Die had de herovering van de Vlaamse heuvelkam tussen Beselare en Staden tot doel. Om 02u.30 in de morgen begonnen een paar honderd kanonnen met een hallucinante drie-uur-durende beschieting van de Duitse verdedigingslinies. Ondertussen was het hard beginnen regenen. Om 05 u.30 klommen aan het zuidelijke front de infanteristen van de 6de, 8ste en 12de Divisies voor de laatste keer uit de loopgraven waar ze al vier jaar leefden en haastten zich gebukt over honderd meter modder en ondergelopen granaattrechters naar de Duitse linies. Wat nog restte aan Duitse verdedigers na de artilleriebeschieting werd snel geneutraliseerd. Na de vlotte inname van de 4 opeenvolgende stellingen van de eerste lijn vorderde de Belgische infanterie omzichtig naar de tweede verdedigingslijn, de Flandern II-

 

 

Stellung. De artillerie moest zien te volgen. Dat betekende dat de kanonnen met man- en paardenkracht door het slijk, langs de granaattrechters en over vier loopgravenstelsels heen gesleurd moesten worden. Tegen de middag was Poelkapelle in Belgische handen maar de 6de Divisie bleef steken voor het zwaar verdedigde Westrozebeke. Zij had 8 km grond heroverd in één dag. Met dank aan de artillerie.

Ook op de 29ste regende het onophoudelijk; Dat vertraagde niet alleen de aanvallen van de infanteristen en het vorderen van de artillerie, maar ook de ravitaillering en het afvoeren van gewonden werd moeilijk. De aanvallen van 30 september werden noodgedwongen uitgevoerd met beperkte artilleriesteun omdat veel kanonnen bij de verplaatsing in het slijk vast raakten. Toch was tegen de avond de inname van de heuvelkam een feit. De Belgen maakten 6000 krijgsgevangenen en 250 Duitse kanonnen en 300 machinegeweren werden uitgeschakeld. De eerste slag van het eindoffensief was gewonnen.

Wellicht werd Julien op de eerste regendag ziek, want op 30 september werd hij met een bronchopneumonie opgenomen in het militair hospitaal van Calais, Porte Gravelines, waar hij op 03 oktober, om half acht in de morgen stierf. De bronchopneumonie was een gevolg van een acute infectie die door de Spaanse Griep was veroorzaakt. Enkele uren later was hij al begraven op de Noordelijke Belgische Militaire Begraafplaats van Calais, in graf nr.1016. Moeder probeerde na de oorlog haar overleden zoon te laten herbegraven op het kerkhof van Veurne, maar de noodzakelijke papieren raakten zoek en Julien is in Calais gebleven.

Eén troost: moeder Rosalie kreeg de 2700 oude Belgische franken soldij van haar zoon toegestuurd plus met de jaren een reeks onderscheidingen: het Kruis van Ridder in de Orde van Leopold II met Palm, het Oorlogskruis, de Overwinningsmedaille en de Herinneringsmedaille.

Stefanie Meganck, Sofie Peelman, Sander Stroobant